Pensioenakkoord heeft ook gevolgen voor nettoregelingen

AMSTELVEEN, 3 september 2020 — Op 2 september 2020 heeft het Ministerie van Financiën de evaluatie van de vrijstellingen nettopensioen en nettolijfrente aan de kamer gezonden. Die evaluatie is in het laatste kwartaal van 2019 en het begin van 2020 uitgevoerd door Willis Towers Watson, in opdracht van het ministerie.

Onderwerp van het onderzoek zijn de nettoregelingen die in 2015 in het leven werden geroepen, toen pensioenopbouw onder de omkeerregel werd begrensd op een salaris van (toen) 100.000 euro. Om pensioenopbouw boven de aftoppingsgrens wel te stimuleren werd destijds een vrijstelling ingevoerd, waardoor pensioenopbouw boven die grens buiten de vermogensrendementsheffing valt.

Willis Towers Watson is gevraagd o.a. onderzoek te doen naar de vrijstelling en of deze doelmatig en doeltreffend is geweest. Dat wil zeggen: zijn werknemers met inkomens boven de aftoppingsgrens inderdaad in staat gesteld pensioen op te bouwen over het salarisdeel boven de grens, en staan de kosten die daarmee gepaard gaan in redelijke verhouding tot dat doel. Een aantal van onze bevindingen zijn:

Lage participatiegraad (17%) nettoregelingen

–       Door defaultkeuze werknemer

Ongeveer 35.000 van de 200.000 werknemers die ervoor in aanmerking komen maken gebruik van nettoregelingen. Dat is veel lager dan de ruim 50% die ten tijde van de wetsbehandeling werd verwacht. Dat betreft ook werknemers die alleen overlijdensrisicodekking zijn aangegaan. De default voor de keuze om deel te nemen die een werkgever hanteert is daarbij sterk bepalend: als deelname de default is, dan neemt tussen de 70 en 90% deel, als de default geen deelname is, dan kiest maar 10% om gebruik te maken van nettoregelingen.

–          Latere toetreding is een hogere drempel

Vanwege tekortkomingen in regelgeving toen deze tot stand kwam kan gesproken worden van een valse start. Latere toetreding dan op het moment van invoering van de aftopping betekent een veel hogere drempel. Werknemers zijn dan immers inmiddels gewend aan een hoger netto inkomen.

Vrijstelling van vermogensrendementsheffing

–          Deelnemers geven onder meer aan de fiscale voordelen van de regelingen (met name gelegen in de vrijstelling van vermogensrendementsheffing) af te wegen tegen het nadeel dat het vermogen bij deelname niet langer direct beschikbaar is.

–          Over de gehele opbouw- en uitkeringsperiode is de waarde van de vrijstelling van vermogensrendementsheffing aanzienlijk. De kosten van de vrijstelling zijn ten tijde van het onderzoek ongeveer 5 miljoen op jaarbasis, bij een totaal belegd vermogen van circa 550 miljoen per einde 2018. In onze projecties loopt dat bedrag op tot circa 3 miljard over enkele decennia, bij ongewijzigde voortzetting van de regelingen.

Effect pensioenakkoord op nettoregelingen

–          Een effect van het pensioenakkoord is dat de standaard voor de uitkering kan worden aangepast naar variabel. Dit is ook één van onze aanbevelingen in het evaluatierapport. Veel van de instanties waarmee wij hebben gesproken gaven aan daarvoor een voorkeur te hebben.

–          Na afschaffing van de doorsneesystematiek zullen de nieuwe fiscale bepalingen (zij het gebruteerd) eveneens voor nettoregelingen gaan gelden, waarbij de eventtoets kan komen te vervallen – eveneens één van de aanbevelingen in ons rapport.

–          Omdat werknemers de bijdrage aan de nettoregeling uit eigen salaris betalen is in de regel geen sprake van een compensatievraagstuk bij afschaffing doorsneesystematiek. Dat kan anders zijn als in het salaris een staffelvolgende component is opgenomen, juist vanwege de nettoregeling. Als die staffelvolgende component wordt vervangen door een leeftijdsafhankelijke component kan daar wel een reden tot compensatie in ontstaan.

In het rapport ‘Bouwstenen voor een beter belastingstelsel’ wordt de mogelijkheid van een verdere verlaging van de aftoppingsgrens naar 60.000 of 80.000 euro genoemd. Nettoregelingen winnen bij een dergelijke verdere aanpassing aan belang.

“Al met al concluderen wij dat de regelingen doeltreffend zijn geweest: de meeste werkgevers zijn in de gelegenheid gesteld om te besluiten of zij hun werknemers binnen de doelgroep een regeling aan willen bieden”, zegt Wichert Hoekert van Willis Towers Watson. “Voor kleinere werkgevers en werkgevers met kleine aantallen werknemers binnen de doelgroep is dat wel problematisch.”

“Dat werkgevers én werknemers vaak hebben afgezien van een regeling maakt het voor uitvoerders lastig de regelingen kostenefficiënt aan te bieden. De beperkte schaal en de complexiteit maken dat bij de doelmatigheid van de regelgeving vraagtekens geplaatst kunnen worden. Desalniettemin vinden wij dat de regelingen bestaansrecht hebben. Bij een mogelijke verlaging van de aftoppingsgrens neemt dat bestaansrecht alleen maar toe”, aldus Hoekert.

Het gehele rapport is kosteloos op onze website beschikbaar

Over het onderzoek

Voor dit onderzoek hebben wij gesproken met 15 instanties uit het pensioenveld die te maken hebben met nettoregelingen, als uitvoerder of in een toezichthoudende rol. Ook hebben wij gesproken met de Stichting van de Arbeid. Daarnaast hebben wij een enquête gehouden onder ruim 1.000 werknemers met een inkomen boven de aftoppingsgrens. Van de respondenten neemt ruim 50% deel aan een nettoregeling. Het derde onderdeel van het onderzoek is een analyse van de kenmerken van deelnemers aan de regelingen geweest, op basis van gegevens van de belastingdienst.

Gepost door Redactie HRcommunity

De redactie van HRcommunity brengt de meest interessante content, events en interviews voor HR-professionals samen.