A perpetuate community is so much more than the infrastructure that connects them.

De begrippen welvaart, welzijn en welbevinden hebben met elkaar te maken, maar zijn voor Weconomics transformatieprogramma niet hetzelfde. Welbevinden heeft meer te maken met de lichamelijke en geestelijke gezondheid van mensen. Onder welzijn wordt een zekere mate van materiële en immateriële tevredenheid begrepen. Hieronder horen ook veiligheid, toegang tot zorg en onderwijs. Welvaart heeft meer met de beschikbaarheid van producten, diensten en infrastructuren te maken. Een afgeleide hiervan is de welvaartsstaat waarbij de overheid helpt een bepaalde welvaart te bereiken en behouden. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van goed monetair beleid, een gedegen pensioenstelsel en sociaal vangnet. In ieder geval kun je stellen dat mensen niet alleen de kwantiteit van leven (hoeveel spullen kan ik kopen en hoe vaak kan ik op vakantie), maar ook de kwaliteit van leven belangrijk vinden. Een brede welvaart is een welvaart voor meer mensen, inclusief welzijn en welbevinden. Een duurzame welvaart wil dit ook bestendigen en overdragen aan volgende generaties. Maar dat gaat niet vanzelf, daar moet je iets voor organiseren.

Welvaartsgroei

Sinds halverwege de negentiende eeuw is er een directe relatie geweest tussen productiviteits- en welvaartsgroei. Elke dertig jaar verdubbelde ongeveer de productiviteit en daarmee de welvaart. De groeicurve van onze productiviteit houdt ongeveer gelijk tred met de groei van onze welvaart, meestal gemeten in bruto binnenlands product, hierover later meer. Werk zorgt voor welvaart. Een belangrijke component van de organisatie van onze welvaart, is de manier waarop we ons werk organiseren en daarbinnen de mate waarin onze productiviteit zich ontwikkelt. Maar sinds de jaren zeventig, sinds we meer in kantoren zijn gaan werken en meer landen de vrijemarkt meer en meer haar gang lieten gaan, is de productiviteit nauwelijks nog gestegen. In ieder geval onvoldoende om de welvaartskosten bij te houden.


Beluister de bijbehorende podcast


De productiviteitsstijging van de landbouwer en fabrieksarbeider heeft direct bijgedragen aan onze welvaartsgroei. Voor 1900 waren de meeste mensen boeren: ze produceren wat ze zelf consumeren. Hooguit wordt er een wintervoorraad aangelegd of wordt het surplus gebruikt om spullen te kopen die ze zelf niet kunnen maken. Vraag en aanbod zijn in die tijd in evenwicht. Door mechanisatie (het paard wordt vervangen door de tractor), worden boeren productiever. Ze maken meer voedsel dan ze zelf kunnen opeten. Vervolgens ‘zegt’ de boer tegen andere mensen: als jullie in de gemeenteraad gaan zitten, onderwijs geven aan mijn kinderen en zorg verlenen aan mijn ouders, dan maak ik jullie voedsel. Dit herhaalt zich later in de fabriek waar een beperkt aantal arbeiders voldoende auto’s, televisie en speelgoed produceren voor iedereen. Vanaf ongeveer 1900 produceren we dus meer dan we zelf nodig hebben en houden vooral Westerse landen extra tijd en geld over. Dit surplus hoeven ze niet meer te besteden aan het produceren van voedsel en producten, maar is vrij beschikbaar om te investeren in zorg, onderwijs, sociale voorzieningen, het bevorderen van democratie en het opzetten van allerlei instellingen. Onze welvaartsstaat is dus vooral opgebouwd met hulp van productiviteitsgroei in de landbouw en fabriek. Deze productiviteitsgroei begint af te nemen vanaf het moment dat we meer in kantoren gaan werken. Inmiddels nadert de productiviteitsgroei in de meeste Westerse landen de nul, terwijl de kosten voor onze welvaartsstaat met twee tot drie procent per jaar groeien.

Investering in managementconcepten

Ondanks enorme investeringen in onderwijs, informatietechnologie en allerlei managementconcepten stijgt de productiviteit in kantoren, en daarmee de overall productiviteit, minder hard dan de kosten voor onze welvaartsstaat. Om meer welvaart te rechtvaardigen moet je productiever worden. Als je dit niet doet ontstaat er een gat tussen stijgende welvaartskosten en productiviteit. Dit gat kan naast productiviteitsgroei ook gedicht worden door (een combinatie van): privatisering, meer schulden, arbeidsmigratie, arbeidsparticipatie of meer kinderen ‘maken’, maar dit zijn minder elegante oplossingen. De belangrijkste en structurele weg naar verduurzaming van onze welvaart en welvaartstaat is het verbeteren van de productiviteit van kantoorwerkers. De belangrijkste innovatie voor de eenentwintigste eeuw is daarom geen technische innovatie, maar de productie van surplustijd. Als je als kantoorwerker twee keer zo productief wordt, dan ben je om 12.30 uur klaar, terwijl je nog steeds evenveel verdient en ‘maakt’. De middag heb je dan beschikbaar om bijvoorbeeld taken uit te voeren die de overheid steeds vaker terugbrengt naar de burger (participatiesamenleving). Hierdoor kan de belastingdruk ook omlaag en worden we concurrerender. Om productiever te worden moeten we niet méér investeren in alleen informatietechnologie (we zien computers overal, behalve in de productiviteitscijfers) en gehypte managementconcepten, maar in fundamenteel anders denken over organiseren en de rol van technologie daarbinnen.

Productiviteit

Sinds de komst van de personal computer is de productiviteit van de kantoorwerkers nauwelijks toegenomen. Dit komt vooral omdat het werk van de kantoorwerker met het verkeerde middel, meestal een bedrijf, georganiseerd wordt. Een landbouwer wordt ook niet productiever in een fabriek, evenals een fabrieksarbeider niet productiever wordt op een boerderij. Werk en werkorganisatie moeten bij elkaar passen en doen dat al lang niet meer. Beter is het werk van kantoorwerker te organiseren met een digitale lopende band binnen een ecosysteem. We zullen hybride organisatievormen ontwikkelen waarmee we tijd-, plaats en organisatieonafhankelijk kunnen samenwerken. Daarvoor moeten we de eenheid van analyse en ontwerp, bij de organisatie van ons werk, en daarmee onze economie en welvaart aanpassen. Nu is de eenheid van denken vaak het bedrijf (zelf doen), of de markt (uitbesteden). Je organiseert en automatiseert een bedrijf. Voor fysieke productie en consumptie is dat prima, voor het verwerken van data tot informatie is het minder geschikt.

De digitale lopende band

Een belangrijke pijler voor het organiseren van een houdbare welvaart is de manier waarop we werk organiseren, en daarbinnen vooral de manier waarop we kantoorwerk organiseren. We zijn opgevoed met het idee dat hard werken goed is. Maar het is niet slim om met hard werken producten te maken en diensten te leveren, die we vervolgens niet of nauwelijks gebruiken of waar we geen nut aan ontlenen. Het is niet slim om redundant werk te doen. Ruitenwissers voor de koplampen van een auto maken kan, maar is het nodig? Ruitenwissers voor koplampen zijn niet nodig voor het doel waarvoor ze gemaakt worden: zien en gezien worden. Wat een computer(machine) beter kan moeten we als mens niet meer willen doen, tenzij er een ander doel is dan het creëren van economische waarde. De relatie tussen innovatie, werkgelegenheid en technische werkloosheid (werkloosheid als gevolg van nieuwe technologie), zal met het toepassen van de digitale lopende band de nodige aandacht gaan krijgen. Velen zullen direct zeggen dat technologie ook weer nieuwe banen creëert. Weinig zullen zich afvragen wat banen zijn, wat werk en daarmee werkloosheid is, waarom we werken en welke bijdrage werk levert aan een brede en duurzame welvaart. Belangrijke vragen die bij de betekenis van werk horen zijn bijvoorbeeld: wat is werk, met welke welvaart willen we leven en welk werk moeten we daar als mens voor doen? Vervolgens krijgen we de vraag hoe we dat dan gaan organiseren.

Duurzame welvaart

Een specifieke en voor velen nieuwe vorm van welvaart is een brede en duurzame welvaart. Een brede welvaart is een welvaart voor meer mensen, met minder ongelijkheid, meer welzijn en welbevinden. Klimaatverandering, ongelijkheid, schuldenberg en pandemieën zijn misschien wel fatale erfenissen van het neoliberale beleid van de afgelopen veertig jaar. Je zou kunnen zeggen dat het kapitalisme zichzelf opeet als een slang die haar eigen staart als prooi ziet, Joseph Schumpeter hierover:

Kapitalisme, zelfs als het wint aan stabiliteit, schept met behulp van rationalisering van het menselijk verstand een mentaliteit en een stijl van leven die onverenigbaar is met zijn eigen fundamentele voorwaarden, drijfveren en maatschappelijke instellingen”

Omdat het (Angelsaksische) kapitalisme niet of onvoldoende antwoord geeft op verduurzamingsvragen, maakt het zichzelf overbodig. Een duurzame welvaart is een welvaart die voldoet aan de behoeften van het heden, zonder het vermogen van toekomstige generaties, om in hun eigen behoeften te voorzien, bewust en onnodig in gevaar te brengen. Hierbij mag je niet de aanname doen (lees risico nemen), dat toekomstige technologieën of generaties de problemen, die de huidige generatie veroorzaakt, wel zal oplossen.

Je kunt als maatschappij geen voorschot nemen op toekomstige oplossingen.

Een duurzame houding betekent dat je bijvoorbeeld niet bewust en onnodig het risico neemt dat klimaatverandering toch door de mens komt, dit te laat constateert en daardoor te laat bent om passende maatregelen te nemen. Met een duurzame houding verwacht je een volgende pandemie en neem je nu passende maatregelen, ook al gaat dat ten koste van de welvaart hier en nu. Een brede en duurzame welvaart betekent voor de komende dertig jaar in ieder geval: minder afhankelijkheid van bijgedrukt geld en schulden en meer productiviteit en gemeenschapszin, minder onnodige belasting van het milieu, minder grondstoffen- en materialenverbruik en meer recycling, circulair en re-manufacturing, minder fossiele brandstoffen en meer hernieuwbare energie, minder verspilling van voedsel, energie, materialen, menselijk kapitaal enzovoort.

Voor het organiseren van een bestendige welvaart is gemeenschapszin een belangrijke voorwaarde. Ik schreef er al uitgebreid over in het Weconomics analyseboek. Met name Angelsaksische landen, maar ook Europese landen, waaronder Nederland, die de vrijemarktideologie zijn gaan volgen, zijn de afgelopen decennia gedreven door individualisering, concurrentie, vrijemarkt en bezit. Hierbij zijn ze steeds verder af komen te staan van gemeenschapszin, samenwerken en commonalities. Communityship was geen bestaande woord in het Engels, maar is geïntroduceerd door Henry Mintzberg. Het is een samengaan van community en leadership. Met dit begrip probeert hij vooral de afstand te overbruggen tussen ‘individual leadership’ en ‘collective citizenship’. Communityship maakt gebruik van leiderschap, maar niet de traditionele vorm van ‘alfa-mannetje-leiderschap’. Het maakt gebruik van leiderschap, maar niet van het egocentrische, heroïsche en hedonistische soort dat zo wijdverbreid is geworden in de zakenwereld de afgelopen veertig jaar. Communityship vraagt dienend en transformationeel leiderschap met een betere balans tussen mannelijke/vrouwelijke eigenschappen, top-down/bottom-up, lange/korte termijn, exploitatie/exploratie, doing well/doing good en vision/value. Communityship vraagt een meer bescheiden vorm van leiderschap (zie bijvoorbeeld ook boek van Simon Sinek: ‘Leaders Eat Last: Why Some Teams Pull Together and Others Don’t’). die je volgens Mintzberg ook geëngageerd en gedistribueerd management mag noemen. Een communityleider is persoonlijk betrokken om anderen te betrekken, zodat iedereen, die dat wil, initiatief kan nemen en mee kan doen.


Lees hier het vorige artikel uit deze reeks
Extract van boek: ‘Duurzame Welvaart Organiseren’
Voor alle longreads en podcasts, zie: Weconomics website

Paul Bessems

Gepost door Paul Bessems